Sommige mensen, of kinderen, zijn moeilijk verstaanbaar of hebben moeite om bepaalde klanken of woorden goed uit te spreken. Dit kan gaan om een spraakklankstoornis. Zo'n stoornis betekent dat je de klank niet op de juiste manier vormt of inzet.
We onderscheiden twee hoofdvormen:
- Fonetische moeilijkheden
Je weet wat je wil zeggen, maar krijgt de klank niet juist gevormd. Denk aan spreken met een “tussentandse /s/” of het weglaten van consonanten. - Fonologische stoornissen
Je kunt klanken wel imiteren, maar past ze niet altijd correct toe in woorden. Bijvoorbeeld: een kind zegt “toek” in plaats van “koek”, of “tat” in plaats van “kat”. Dit is vaak een systematische fout, die bij jongere kinderen normaal kan zijn, maar na ongeveer 4 jaar aandacht vraagt.
Onze aanpak
We oefenen doelgericht met het juist uitspreken en toepassen van klanken. Dit gebeurt stap voor stap, van losse klanken naar woorden, zinnen en vlot praten in gesprekken.